Wanneer men mij vraagt: 'Hoe gaat het met je?'
Dan glimlach ik, zoals iemand glimlacht
die de taal van de seizoenen is gaan verstaan.
Ik zeg niet: 'Goed',
want goed en kwaad wisselen van naam
zoals de wind van richting.
Het gaat met mij
zoals met de aarde na de oogst —
de velden rusten, maar het zaad leeft nog in de grond.
Er is vermoeidheid in mijn lichaam,
maar geen strijd in mijn hart.
De dagen komen zacht,
en ik ontvang ze als gasten
die s' avonds weer vertrekken.
Soms speel ik een lied
voor mannen zonder herinneringen,
en ik hoor in hun stilte
de stem van mijn eigen verleden.
Soms kijk ik naar de sterren
en weet dat ook ik weer licht zal worden.
Vraag mij dus niet of het goed gaat,
vraag liever hoe de stilte vandaag klinkt,
of de adem nog zingt tussen mijn woorden.
Want het leven gaat niet met mij,
ik ben het leven dat verdergaat —
in toon, in adem,
in wat nog even blijft.
'Ik kreeg dit gedicht van een patiënt van mij die in een palliatief stadium is. Hij ziet nu het leven als een moment dat we mogen koesteren en waar we bij stil mogen staan.' (Levina Oosterom, palliatieve zorg en longverpleegkundige)